Nieuws
Openingsspeech tentoonstelling door Cordaid-directeur René Grotenhuis
Sep.29, 2009
Ik ben buitengewoon blij dat ik in dit ministerie van VROM sta. Niets ten nadele van uw collega van Ontwikkelingssamenwerking en zijn ministerie op nauwelijks 100 meter afstand. Dat we als Cordaid hier vertegenwoordigd zijn met een tentoonstelling over ons werk geeft aan dat de vernieuwing van ontwikkelingssamenwerking al volop gaande is en dat het openbreken van de hulpindustrie niet nodig is. Dat heeft ze zelf al gedaan. Want samenwerken met bedrijven en woningbouwverenigingen, onderzoeksinstellingen en ingenieursbureaus is in dit project van Urban matters niet alleen beleidsdoelstelling, theorie en toekomstplan, maar ook praktijk.
Blij dus dat deze tentoonstelling onderdak heeft gevonden in dit ministerie. Dit is de eerste tentoonstellingslocatie in een reeks waarbij ze ook onderdak zal vinden bij de bedrijven, instellingen en bureau’s die meedoen aan het Urban matters project. De foto’s zijn gemaakt in El Salvador, tijdens de workshop die we in juli daar gehouden hebben met Nederlandse en Salvadoraanse partners. En ze laten bekende beelden zien van de volkswijken, golfplaten, plastic, provisorische onderkomens. Maar ze laten ook allemaal mensen zien die aan de slag zijn voor wijkverbetering om tot leefbare krachtwijken te komen, ook daar.
Dit ministerie herbergt veel kennis over urbanisatie, processen van verstedelijking en de wijze waarop stedenbouwkundige ontwikkeling kan worden begeleid en gefaciliteert. Die kennis gaat natuurlijk in eerste plaats over ons eigen land. Maar niet alleen over ons eigen land. In het politieke debat mag het soms lijken alsof de wereld ophouwt bij Zevenaar en Wuustwezel, medewerkers vanuit dit ministerie zwerven regelmatig over de hele wereld uit om kennis op te doen en kennis te delen. We komen ze tegen op het World Urban Forum, op Habitatconferenties en ze zijn daar in de terechte overtuiging dat in een globaliserende wereld het delen van kennis een van de belangrijkste pijlers van ontwikkeling is.
In een boekje van vorig jaar heb ik over de toekomst van het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking gezegd dat het zich zou moeten ontwikkelen tot een netwerkministerie. Ik ben ervan overtuigd dat we nog onvoldoende in staat zijn om de enorme hoeveelheden kennis en ervaring van vakministeries maar ook van belangrijke instituten als TNO te benutten voor ontwikkelingssamenwerking. Natuurlijk, het gebeurt wel degelijk, bijvoorbeeld via VNG-international of via de internationale afdeling van het kadaster, maar er is nog veel meer mogelijk. Mijn ervaring is dat het niet ligt een de motivatie van mensen. In de ervaring van Cordaid zien we met enige regelmaat hoe stimulerend het is voor medewerkers van bedrijven en organisaties om hun blik van buiten, naar het Zuiden te richten, daar hun competenties in te zetten. En de benutting van die kennis en ervaring en die motivatie zijn voor de toekomst van ontwikkelingssamenwerking van groot belang.
Het inrichten van een samenwerkingsprogramma zoals Urban Matters is overigens geen simpele zaak. Verre van dat. We hebben als Cordaid van meet af aan als voorwaarde gesteld dat de programma’s vraaggestuurd zouden moeten zijn. En dat er aan de andere kant, in het Zuiden, een partner zou moeten zijn die daarvoor garant zou staan. VROM heeft dat uitgangspunt overigens altijd van harte gesteund. En dan begint het passen en meten. Er is veel aanbod, maar past het ook bij de vraag? En in welk land gaan we zo’n programma ontwikkelen? Welke prioriteiten heeft de lokale bevolking en matchen die met de diensten en producten die geïnteresseerde Nederlandse partners hebben? En daarin zit soms ook een forse spanning. Gedurende de week dat ik in El Salvador ben, is mijn idee over de hulp die geleverd kan worden, wel bijgesteld. Had ik voor vertrek nog het idee van “we gaan die mensen wel even helpen”, heerst bij mij nu toch wel de opinie “we moeten die mensen gaan helpen, maar het zal geen even zijn”. (waterleidingbedrijf Limburg over reis El Salvador).
Voor het afstemmen van vraag en aanbod is tijd nodig om de bekende witte olifanten te vermijden. Maar partners in Nederland willen doortastend handelen, willen hun motivatie liefst zo snel mogelijk omzetten in daden. En de cultuur van zakendoen, van omgaan met instanties en bureaucratieën is in andere landen soms een nog grotere crime dan hij in de ogen van ondernemers hier al is. Overigens: niet alleen in de ogen van ondernemers, ook als Cordaid weten we erover mee te praten.
Die tijdsinvestering is soms ook in conflict met de wens om resultaten te boeken, en het liefst op korte termijn. En het feit dat je partners aan de andere kant van de wereld zitten, maakt het regelen van zaken tijdrovend, ondanks internet en e-mail.
Met overtuiging hebben we als Cordaid de rol van facilitator en netwerken op zich genomen. Daarbij is het ons doel dat de partners die we bij elkaar brengen zaken met elkaar gaan doen, dan de directe contacten de duurzame pijlers zijn waarop de samenwerking zal blijven voortbouwen. We gaan ook door met Urban Matters. Over drie weken hebben we een workshop in de Keniaanse stad Kisumu om met Nederlandse en Keniaanse partners de mogelijkheden in die stad met 350 000 inwoners en de derde stad van Kenia te onderzoeken. Ik hoop ook zelf een deel van die workshop mee te maken om het proces van matchen en planontwikkeling met eigen ogen te zien.
Ik sluit af. Nogmaals dank voor de gastvrijheid voor deze tentoonstelling. Dank voor de steun van VROM om dit Urban Matters programma mogelijk te maken en te investeren in de samenwerking tussen daar en hier. Zoals gezegd, we hebben El Salvador gehad, we gaan naar Kisumu, ik hoop dat het proces in Kaapstad zich ook verder ontwikkeld. Ik hoop vooral dat de directe contacten tussen bedrijven en instellingen hier en daar zichzelf rondspreekt en entghousiasme losmaakt, ook bij anderen. Wat ons betreft blijft het daar niet bij.
En ik wens deze tentoonstelling een succesvolle reis toe door het land.